Sokken zijn belangrijk !

Sokken zijn belangrijk. Dat willen we nog wel eens vergeten. Sokken zijn zakjes voor je voeten. Ze geven me het gevoel dat mijn voet bij elkaar gehouden wordt. Dat is een goed gevoel, het geeft controle. Hoewel het ook heerlijk is om je voeten naakt in de open (en zelfs publieke) ruimte te laten zwabberen. Vooral in de zomer op een grasveld.
De sok dus. Ik raakte in gesprek met iemand over sokken, en ik merkte twee dingen. Het eerste was dat ik veel herinneringen en verhalen heb aan de hand van sokken. Het tweede is dat het ergens ook intiem voelt, om het te hebben over je sokken. Ze zijn toch wel erg persoonlijk. Ook omdat ze soms ruiken, vieze onderkanten hebben of gaten. Of nog erger: uitgelubberde bovenkanten.
Maar sokken hebben ook juist positieve kanten. Zo werkte ik ooit in de horeca, een baantje wat ik nodig had in de schakel van kunstacademie, wwik, lopende kunstenaarspraktijk. Ik ben geen horeca type. Niet vanwege mijn behulpzaamheid, want ik hou ervan om mensen een fijne avond uit te bieden, eten goed uit te serveren en te vragen of alles naar wens is. So far so good. Maar waar het mis ging was in de details. In die tijd had ik veel fel gekleurde sokken. Het kan je overkomen, en ladekast vol groene, rode, blauwe en gele sokken. Ik zat in een primaire fase misschien. De code van het restaurant waar ik werkte was echter: zwarte broek, zwart shirt, zwarte schoenen. Gepoetst. En een geschoten gelaat. Op academies was deze code ooit populair bij een kleine groep kunstenaars maar ik behoorde daar niet toe. Praktisch was ‘geschoren zijn’ voor mij geen doen. Dat gedeelte had ik er dan ook al uitonderhandeld tijdens het sollicitatiegesprekje. (een paar millimeter kon dan wel, maar liever niet natuurlijk!) Maar toen wisten ze nog niks van mijn sokken. Mijn mooie gekleurde sokken. Ik droeg met veel plezier tussen al het formele zwart en zat in de pauzes soms met mijn benen over elkaar geslagen waarbij mijn zwarte broekspijp een ongehoord deel van de gekleurde sok liet zien. Provocerend rood, groen of blauw kleurde dan de personeelskamer. Ik zag het als enige pleziertje in mijn kleding met al die zwarte formaliteit.

Uiteindelijk ben ik na een half jaar gestopt en bij het afsluitende biertje aan de bar kreeg ik pas te horen hoe mijn sokken altijd een punt van discussie was geweest tussen de vloermanagers van het restaurant. Er waren stemmen voor om me te wijzen op de frivool gekleurde sokken, maar nooit is me gevraagd om met zwarte sokken aan te komen. De manager met wie ik daar aan de bar zat was degene die me de hand boven het hoofd hield. Hij heeft inmiddels een mooie functie bij een internationale kunstinstelling.

Vandaag kijk ik weer in mijn sokkenla. Wat ik zie zijn alleen maar zwarte en grijze sokken. De fel gekleurde zitten inmiddels in mijn hoofd en mijn werk.

Jopie is dood.

Jopie is dood. Ik kende haar niet, maar mijn opa wel. Ze woonde in het bejaardenhuis waar opa ook woont en ze was volgens hem ‘een leuke meid’. Een leuke meid van 90 jaar, dat wel. Opa kon goed met haar opschieten want ze was ‘pittig’ en daar houdt hij wel van, zei hij.

Een paar weken terug had de dokter tegen Jopie gezegd dat ze darmkanker had. Opereren was nog wel een optie, maar dan zou ze ‘een uitlaat’ krijgen en nog blinder worden dan ze al was. Jopie en opa zaten samen in ‘De Commissie’. Of het echt ‘De Commissie’ heet weet ik niet, maar zo noemen ze het in het bejaardenhuis. Het is een orgaan dat bestaat uit bejaarden die continu het personeel en de gang van zaken in de gaten houden ten behoeve van de rest van de bewoners. Door deelname ‘blijf je lekker bezig’, vindt opa.

‘Na zo’n operatie zou ik met die uitlaat alleen nog maar op die kamer kunnen zitten’, zei Jopie tegen opa na het bericht van de dokter over de kanker in haar darmen. Alle bejaarden in het huis noemen hun eigen kamer ‘die kamer’, want ze zijn te oud om er aan te wennen dat hij echt van hun is.

Jopie wilde dood, want ze wilde niet alleen maar met haar uitlaat en haar oren op die kamer zitten. De zaken werden geregeld en ze had haar eigen rouwkaart nog ontworpen. De dag voor ze de eeuwige jachtvelden zou betreden is ze in de eetzaal de tafeltjes langs gegaan met haar rollator. ‘Ben je ’t ermee eens?’, vroeg ze nog aan opa, die haar vervolgens had gezegd dat hij het met haar eens was. Ik durfde niet aan hem te vragen wat de laatste woorden waren die ze gewisseld hadden.
De volgende dag was Jopie dood. En nu ligt ze opgebaard op die kamer van haar. Alle bewoners zijn wezen kijken hoe ze er bij ligt. ‘Alsof ze ligt te slapen’, volgens opa.

Deze gastblog bijdrage komt van Lars van der Werf. Ik heb Lars gevraagd n.a.v. zijn tweets op twitter een verhaal te schrijven met als uitgangspunt authenticiteit. Lars twittert onder de naam: @larsvdwerf. Dank .

Over piepkes en hondenvoer.

Al lang geleden dacht ik in de tweets van Johan Gielen te ontwaren dat er hoe dan ook een mooi verhaal verscholen moest liggen achter iemand die zo twittert als hij.
Het duurde een tijd tot ik vanmorgen deze tweet van hem las en we wisten het allebei: Dit moet ‘m worden.

“Vroeger at ik wel eens hondenvoer met m’n buurjongen. Als we stiekem hadden gerookt. Dan stonk onze adem naar hond ipv rook.”

Vroeger, het klinkt wat voorbarig voor iemand van 28 jaar oud. Maar toch, ik heb goede herinneringen aan mijn leven als jongeling. Toen ik zes was verhuisde mijn ouders vanuit de kern van een Limburgs dorp naar een vrijstaand huis op het platteland. Nog steeds in de buurt van dat dorp, maar vanuit mijn perceptie in the middle of nowhere. Mijn actieradius was nog van een geruststellende omvang.
In deze middle of nowhere maakte ik al snel kennis met een jongetje wat naast me woonde. De buurjongen. We floten op onze vingers, op grassprietjes of eikeldopjes als we buiten waren en iets met elkaar wilden doen. We deden namelijk altijd dingen. Een van die dingen was stiekem roken. Hoe we precies daaraan zijn begonnen weet ik nu niet meer, maar niet ver van ons huis was een bos. Een vreemd bos. Het had geen wandelpaden, daarvoor was het te klein achteraf gezien. Maar in mijn jeugd was het gigantisch. Tot m’n 14e kon ik er nog in verdwalen. Op de open plekken in het bos groeiden in de zomer grote wolken brandnetels. In de winter waren dat opgedroogde krakende stokjes. Ze waren hol van binnen en we gebruikten ze vaak om een “fikkie” goed mee aan te krijgen.
Ik weet niet wiens idee het was, maar op een gegeven moment zijn we die dingen gaan ‘roken’. Omdat ze hol waren kon je lucht erdoorheen zuigen, en de brandnetel bleef behoorlijk goed gloeien. Als je maar zoog. In de eerste instantie rookten we zo stukjes brandnetel. Onze tongen verbrandend aan de hete lucht die we aanzogen, soms stukjes verbrande brandnetel in onze mond. We noemden ze “pijpjes”. ‘Piepkes’ in het dialect. Later werden we meer bedreven en knutselden we ingenieuze piepkes. We stopten er soms kleine stengeltjes droog gras in, of maakten een filter met het kurk wat we vonden in andere planten. We paften onze piepkes met veel gevoel voor drama en bliezen de rook uit alsof we Amerikaanse soldaten waren uit de tweede wereldoorlog, gezeten op een tank in de straten van Amsterdam. Vrije jongens, dat waren we.
Vrije jongens totdat we moesten eten. De buurjongen moest zich strikt houden aan een strak schema. 18:00: avondeten. Dat betekende angst, want als onze moeders erachter zouden komen dat we piepkes paften zouden we niet jarig zijn. Teruglopend vanaf het bos roken we aan elkaars adem en maakten we de balans op van hoeveel we stonken naar rook. En zo ook onze kleren. Overigens stond fikkie stoken ook op de Lijst van Verboden Dingen, het was dus zaak om neutraal ruikend aan de avonddis te verschijnen. Voor onze kleren hadden we oplossingen zoals door het gras rollen en bepaalde planten plukken om onze kleren mee in te wrijven. Maar onze adem, tsja. Wat moesten we daar tegen doen. Ik denk achteraf dat het een idee was van mijn buurjongen, maar ik stemde in. In de schuur van mijn buurjongens opa stond een grote teil hondenvoer. Droog en gemengd voer. Verschillende kleuren ondefinieerbare vormpjes en wat granen, gepofte rijst en maiskorrels. Het idee was dat onze adem daardoor niet meer naar rook zou ruiken. En zo kwam het dat we in een donker schuurtje angstvallig als twee apen kleine stukjes hondenvoer naar binnen stonden te werken. Het smaakte niet eens heel vies.
Later, toen ik ouder werd kreeg ik eens een echte sigaret van mijn oudere zus. Ik leerde over mijn longen roken en heb daarna zo’n 10 jaar gerookt. Inmiddels ben ik gestopt waar ik nog steeds erg blij mee ben. Maar het euforische gevoel van het paffen van een zelfgemaakt piepke, nee, zo’n ervaring heb ik bij het roken van echte sigaretten nooit meer gehad.

Johan Gielen twittert onder @JohnLeeGain.

Wat is er gebeurd met de leren schooltas?

bron: www.meetcentrumpp.nl

Loop een willekeurige VO school in en je ziet tassen in allerlei vormen en maten, kleuren en merken. Wil je als een beetje toonaangevende tiener een beetje goed beslagen ten ijs komen dan heb je minimaal een Eastpack, Nike of wat dan ook voor tas. Tassen als verlengstuk van je imago. Dat die tas al lang niet meer dient ter bescherming van je splinternieuwe boeken moge duidelijk zijn. Het gaat er al lang niet meer om dat je een jaar later je boeken voor een redelijke prijs kon verkopen.

Nee, zo ging dat in mijn tijd niet. Met het dichterbij komen van de eerste brugklas dag kwam ook de onvermijdelijke gang naar de stad met je moeder. Het was niet meer te omzeilen. Je zou enkele uren daarna thuis komen met een leren boekentas. Bestendig tegen elk weertype en het zou voorkomen dat je nieuwe schoolboeken al voor Kerst voorzien waren van waterschade en met een rafelige rand op de tweedehands boekenmarkt zouden komen te liggen. Pure logica, pure effectiviteit.

Maar deze aanschaf ging niet zonder gene en schaamte gepaard. Hij stond daar dan wel te glimmen in je beposterde kamer, trots was je er zeker niet op. Het was vooral zaak om het glimmende laagje zo snel mogelijk te verdoezelen in de hoop dat je nieuwe klasgenoten zouden denken dat je de tas van je oudere broer had overgenomen. In mijn geval was dat niet mogelijk gezien mijn broer een aantal jaren hoger op dezelfde HAVO zat. Ik deed wat ik kon om van het suffe imago af te komen; expres van je fiets laten donderen en zo snel als ik kon kocht ik merkstiften om de boel onder te kalken. Helaas. Daar stak mijn moeder een stokje voor. Zo lang mogelijk netjes houden.

Daar ging je dan. Op weg naar school met achterop dat foeilelijke ding. Snelbinders stonden op knappen want wie was er niet bang om de verkeerde boeken mee te hebben. Ik had ze dus allemaal mee. In een miezerig, gratis Nike tasje dat je bij je sneakers kreeg had het nooit gepast. Eenmaal op school probeer je dan om je zo stoer mogelijk te gedragen ter compensatie van die lelijke- bijna vleeskleurige tas. Gelukkig, ik zag al snel dat ik niet de enige was. Er waren dus blijkbaar meer ouders die hadden ingezet op duurzaamheid. Maar ik zag ook dat er al een hele hoop jongens waren die al een verdomd verkaaide tas hadden. Hoe deden ze dat? Hadden ze in de vakantie vakkundig hun tas aan een fikse sloopbeurt onderhevig gemaakt. Helemaal onder de graffiti en nog mooie ook. Oud en door en door verrot zag ie eruit.
Dan maar snel achteloos tegen de vlakte smijten en er dan naar kijken alsof dit ding met je meegereisd was en je ook niet wist hoe die tas hier kwam. Van mij ? Pff dacht het niet.
Een paar jaar later was je dat ding echt zat en was je als sterke tiener protest-technisch gezien goed genoeg gerijpt om het gevecht met je ouders echt goed aan te gaan: ” Mam, wat je ook bedenkt. Die tas (objectivatie?) gaat nooit meer met me mee. Ik doe het niet meer.”
En zo vond je uiteindelijk een andere tas die toch echt veel gaver en er meer nonchie uit zag dan dat domme kalfslederen ding. Dat dat gratis Nike-sneaker tasje totaal niet praktisch was maakte niets meer uit. Alles beter dan die imago-killer nog langer met je mee zeulen.

Een herkenbaar verhaal over een blijkbaar totaal uitgestorven fenomeen. Hoe kwamen onze ouders toch op dit idee? Was het een clash of worlds? Een generation gap? Ik snapte er destijds natuurlijk helemaal niets van. Hoe kon je je zoon nu opzadelen met zo’n kreng? Toch zal het ook te maken hebben met een stukje geschiedenis. Onze ouders waren baby-boomers bij uitstek. Zelf gewend om trots en zuinig op hun boeken en eigenlijk alles te zijn. Zij hadden tijden van wederopbouw mee gemaakt waarin je blij moest zijn met alles wat je kreeg. Ik denk toch dat onze schoolboeken er inderdaad na een jaar goed uitzagen en inderdaad we vingen er nog een behoorlijke duit voor op de boekenmarkt.

Toch was het een lesje nederigheid. Je verzette je ertegen maar je dealde ermee en zetten je over bepaalde tegenzin heen (frustratie-opbouw?). Toch zou ik er nu voor op de barricades willen dat we deze tas weer in ere gaan herstellen. Al is het maar om tieners even dat lesje mee te geven dat het echt niet erg is om soms even voor paal te lopen. Daar wordt je een beter, weerbaar, sterker mens van.

Pianoles in perspectief

Een pianoles zag er alle acht jaar hetzelfde uit. Iedere maandagavond om zeven uur mijn broer en daarna mocht ik zelf een half uur. In eerste instantie kregen we les van mevrouw maar later van meneer Seyler.
Ten tijden van mevrouw Seylers lessen mochten we mee tv kijken (op die mooie Rietveld stoel die eigenlijk echt niet lekker zat) met meneer Fons Seyler die vaak de mooiste natuurdocumentaires keek. Dat was eigenlijk leuker dan pianoles zelf.
Er stond altijd een Rietveld stoel voor de tv waar ik vaak op zat. Ik hoorde wel van mijn moeder dat meneer Seyler familie was van de befaamde architect maar ach… Dat gaat het ene oor in en het andere oor uit.

Nu kreeg ik laatst bericht dat meneer Seyler niet meer leeft. In de Gelderlander stond een stuk over hem waardoor ik leerde dat de hele familie genen bezat ‘ vol kunst en muziek’. Meneer Seyler had een bijzonder leven geleid dat was zeker.

Ook kwam ik dit verhaal tegen wat absoluut het lezen waard is. Want (Fons)Seyler was niet alleen familie van Rietveld maar zijn moeder onderhield ook nauwe banden met Charlie Toorop. Zijn vader Guus (ook pianist) is zelfs meerdere malen door Toorop geschilderd.
Een bijzonder verhaal en pianolessen van een bijzonder persoon blijkt nu.
Mooi.

Le dernier cowboy de Bouillon.


foto: www.jorg.nu

De laatste cowboy van Bouillon bestaat echt. Laat dat voorop staan.
Sinds jaar en dag gaan een groep vrienden naar Bouillon voor een weekendje Risk en plezier hebben. Stamkroeg wordt al snel Le Fauban in het centrum van Bouillon. Ook wel de Peutbar genaamd omdat er tot voor kort vaak petroleum gestookt werd om de boel warm te houden. De uitbater slaapt vaak op een stretcher achter de bar en er staat geen muziek aan. Je mag er uiteraard nog roken en TL-verlichting zorgt voor hard licht.
Vaak zijn er vooral dronken mannen en zo hier en daar een vuige vrouw die meestal zoenend met een van hen aan een tafel zit temidden van andere dronkaards en een tafel vol lege glazen. Niet het meest fijne beeld, maar ach.

Temidden van deze mannen zit op een dag ook een zwart geklede cowboy. In de winter, blijkt later in een gesprek met de jongens, kleedt hij zich zwart, het wit voor de zomer.
Maar na een aantal jaren terug komen in Bouillon blijkt de cowboy er ineens niet te zitten. Ze doen navraag en komen er achter dat hij kanker heeft. Het jaar erop ligt er het voorstel een laatste eerbetoon aan de cowboy te brengen door op zoek te gaan naar het graf en daar een bloemstuk neer te leggen. Maar het verbaasd hen te horen dat hij nog leeft en gezond is verklaard.
Tijd voor een interview. Bewapend met camera ondervragen ze de man en voeren ze een lang gesprek, Niet met allen maar een aantal van hen.
De laatste cowboy van Bouillon vind zichzelf ook echt de laatste cowboy van het Zuid-Belgische stadje. Hij mijmert over tijden die veranderd zijn en over zijn leven dat niet meer hetzelfde is. Wat niet uit de verf komt is of hij ook daadwerkelijk iets heeft gedaan met vee of koeien.
Hij is gewoon Le dernier cowboy de Bouillon.

Vreemde gewaarwordingen.

Stel je zit tv te kijken. Het is zondagmorgen en je zapt langs een programma dat je normaal weg zapt en besluit voor een keer maar eens te aanschouwen. Heb er niet veel mee. Het is een programma van de IKON en heet Het Vermoeden.
Nadat je een paar seconden hebt gekeken zie je dat de persoon die er zit, Jan Greven is(oud-hoodsredacteur van Trouw) en je kijkt verder omdat het een goede vriend van je vader was. Het volgende moment trekt hij in de uitzending de oude bijbel van zijn vader open (heb er niet zoveel mee) en vertelt dat hij hierin bidprenten van overleden dierbaren in bewaart. De camera zoemt in en laat als eerste het bidprentje zien van je vader.

Dat was toch even een bijzonder moment. Iedereen krijgt dus zijn 5 seconds of fame.


(spoelen naar 8 minuten als je niet de hele uitzending wilt bekijken).

Slauerhoff

Uit Schuim en As kwam ik een geweldige alinea tegen. Ik kan ‘m niet achterwegen laten.

” Het is nog vroeg, voor vieren, de dag is nog in de hemel. Misschien was het beter dat hij er bleef en de wereld voortaan overliet aan de nacht, goedgunstig voor de minnaars en misdadigers, de avonturiers, de enigsten die aan de lotgevallen van dezer wereld nog iets nieuws geven. ”

Driedaagse reis

De eerste wereldoorlog boeide mij altijd enorm. De impact op mij kwam pas op het moment dat ik van de HAVO af was en begon te lezen in Geert Mak. Ook na het zien van Une long Dimanche de Fiancailles.
Het lezen van romans over de oorlog weerhielden mij van het lezen ervan omdat ik de feiten al zo bruut vond en dan ook nog eens de verhalen erom heen vond ik wat too much.
Ik kreeg een jaar geleden de tip van vriend Daan om driedaagse reis eens te lezen. Het verhaal van twee indiaanse vrienden die opgroeien bij hun stam in Canada. Ze worden uitgezonden naar Europa om te dienen in het leger.
Zonder het echt in de gaten te hebben groeien ze uit elkaar hoewel ze er alles aan hebben gedaan om bij elkaar te blijven.
Wat rest is een prachtig verhaal waarin de eerste wereldoorlog belicht wordt vanuit een ander perspectief. Uiteraard…..een aanrader.

Eens in de zoveel tijd……

Soms kom je ze tegen. Journalisten die even hun beroep terzijde zetten en overgaan tot et helpen van mensen. Zie hier Anderson Cooper van CNN die filmde in Port au Prince en bij de leegroof van een huis een jongen ziet die geraakt wordt door een baksteen. Op het hoofd.
Hij legt de camera weg en zijn collega fotografeert door.
Zoals deze zullen er de afgelopen dagen veel meer geweest zijn maar het is dan ook exemplarisch voor al die anderen die hun hand durven uit te steken.

Let wel: het zijn schokkende beelden.